Tiementje Snoek-Post

Tiementje Snoek-Post wist het zeker: als weduwe van visserman en ijshandelaar Hessel Snoek was ze belanghebbende. Ze vocht van 1927 tot 1935 voor haar recht. Tevergeefs. Haar kinderen ontvingen de definitieve uitslag veertien dagen na haar dood.

Tiemetje en Hessel op een foto gemaakt door THAA Molkenboer in 1913 (Het Geheugen)

Tiementje (1859) trouwt in 1879 met Hessel Snoek (1852), bekend als Katjessnor, visserman, robbenjager en eigenaar van een ijskelder. Ze krijgen 12 kinderen, waarvan er vier vroeg sterven. In 1890 beginnen Hessel en Tiementje een ijspakhuis, waar het ijs dat ’s winters uit de dichtgevroren Zuiderzee wordt gehakt, wordt opgeslagen.

Hessel Snoek overlijdt in 1926. De ijshandel is nu van Tiementje. Haar zoons willen het graag voortzetten. Zoon Hessel schrijft een jaar na zijn vader’s overlijden een brief aan de Rijksdienst met een verzoek om krediet: de familie wil een ijsmachine aanschaffen om de vloot en de haringhandel beter van ijs te kunnen voorzien. Het natuurijs voldoet niet meer aan de eisen van de tijd; nu de Zuiderzee wordt afgesloten verhuist de vloot naar de Noordzee en slaat in Enkhuizen fabrieksijs in.

Tiemetje (zittend) met dochter Neeltje (links) en zoons Fokke en Gerrit.

Tiementje ondersteunt het verzoek met een aanvraag. Vanuit het gebouw van de ijskelder runt ze een winkeltje en verhuurt ruimte voor netten en vletten. De aanvraag wordt meteen afgewezen.

IJsfabriek Snoek, tot in de 80er jaren markant onderdeel van de Urker haven

Tiementje klimt in de pen. Een krediet van fl 4000 helpt haar en haar zoons om het hoofd boven water te houden na de afsluiting.

Nu begint het gevecht. Tiementje moet bewijzen dat ze belanghebbende is. Dat doet ze door in februari 1932 opnieuw een aanvraag in te dienen, met een stapel bewijzen. IJsleverancier stond niet op de lijst van Zuiderzee-gerelateerde beroepen, maar, redeneert Tiementje, het ijs was bestemd voor de haringhandel, die wél op de lijst staat en bovendien werd er vanuit de ijshandel ansjovis en garnalen ingezouten. Tiementje stuurt voor alle zekerheid een briefkaart naar het Rokin om te bevestigen dat ze de bewijzen op de post heeft gedaan.

In april 1932 trekt Tiementje aan de bel: ze heeft nog altijd geen antwoord en ze heeft al een jaar niks verdiend, ‘zodat U Edele wel kunt begrijpen dat hier nood is’. Ze woont samen met haar ongetrouwde dochter Neeltje en heeft de zorg voor een zoon die ‘lijdt aan geestvermogens en in zijn eigen ouderhoud niet kan voorzien’. Opnieuw volgt een afwijzing.

In juni volgt opnieuw een brief aan de ‘Hoog Edele Gestrenge Heer’ Houben. Het is ‘onverklaarbaar’ voor Tiementje dat ze geen belanghebbende is. Ze gooit het nu over een andere boeg: Haar man vistte in 1918 op haring en ansjovis; zijn ‘hoofdmiddel’ was dus niet de ijshandel en het winkeltje maar de visserij. was volledig afhankelijk van de Zuiderzee. De nood is hoog want de inmiddels 73-jarige weduwe kan niet langer in haar onderhoud voorzien.

In september vraagt Tiementje’s schoonzoon Riekelt Brands, voorzitter van de Nederlandse Vissersbond, een gesprek aan bij de Rijksdienst. Het gesprek vindt plaats maar een maand later ontvangt Tiemetje een brief: ze is geen belanghebbende. Het inzouten van vis was namelijk slechts seizoensarbeid.

Tiementje moet ten einde raad zijn geweest. Haar dochter Neeltje zet haar strijd voort. In november 1932 legt ze uit dat haar vader nooit om steun heeft gevraagd omdat hij zijn eigen brood kon verdienen. Dat is nu wel anders: de nood is hoog; om te voorkomen dat haar moeder de komende winter armoede zal lijden vraagt ze om een gunstig advies.

In april 1933 schrijft directeur Houben een brief aan het Ministerie van Waterstaat. De Urker commissie Zuiderzeesteunwet verzoekt het ministerie om een positief advies maar Tiemetje’s man kan niet als belanghebbende worden beschouwd omdat inkomsten uit een ijshandel niet onder artikel 1 vallen.

Tiementje laat het er niet bij zitten. Ze gaat in verzet tegen de uitspraak. Haar man, zo legt ze uit, had een gemengd bedrijf en was volledig aangewezen op de Zuiderzee. En bovendien: alle visserij was seizoensarbeid.

Houben houdt vol: aan de Minister legt hij uit dat Tiementje’s man Hessel drie beroepen had (winkelier, ijshandelaar en viszouter) maar dat het onduidelijk is wat hij in welke mate in 1918 deed.

Op 18 maart 1935 krijgt Tiementje de langverwachte brief van het Ministerie. De regering beschouwt haar niet als belanghebbende.

Ze is dan al veertien dagen dood. Tiementje werd 75 jaar oud.

Maar met de dood van Tiementje is het verhaal van IJshandel Snoek niet afgelopen. Het lukte haar nazaten toch om enkele machines aan te schaffen voor de productie van kunstijs. De talloze ijshokken die vader Hessel had laten bouwen om natuurijs op te slaan en die de hele zomer de Urker vloot van koeling voorzagen, werden omgebouwd tot woon- en slaapvertrekken. Hier woonden zeven gezinnen Snoek, terwijl voorin de fabriek de ijsmachines aan de lopende band ijs produceerden…

Dorpsdichteres Mariap van Urk schreef er voor de Urker krant dit prachtige gedicht over: